Scroll to Content

Geen wolkje aan de hemel. De zon werpt de eerste stralen over het platteland. Het belooft een mooie winterdag te worden. Het is koud, maar de autoverwarming zorgt ervoor dat het barre weer de gedachten niet domineert. Binnen enkele uren zal dit wel even anders zijn. Bestemming is Komen-Waasten, de enige Waalse gemeente die werd getroffen door de Groote Oorlog.

Tot oktober 1914, wanneer Britse eenheden met het Duitse leger slaags raakten, was Komen-Waasten één van de zovele plaatsen in de streek waar de tijd, zo leek het wel, stil was blijven staan. In enkele maanden tijd werd het middeleeuwse landschap vakkundig uitgewist om plaats te maken voor een oorlogstafereel. Na de inname van de stad Mesen zat het front muurvast in de Waalse klei. Snel verschenen er overal tijdelijke veldversterkingen en naarmate de strijd vorderde, werden aan beide zijden van het No Man’s Land loopgraven, bunkers en andere, meer permanente versterkingen aangelegd. In het hinterland verschenen barakken en andere logistieke installaties. Opeenvolgende bombardementen en ontploffingen maakten van het vredige platteland een doods maanlandschap.

Historische roadtrip

In 2014 wordt overal ter wereld de Eerste Wereldoorlog herdacht. Overal staan mensen stil bij de vraag wat er nog rest van het oorlogslandschap. Deze vraag brengt ook mij vandaag in Komen-Waasten. De wagen wordt achtergelaten bij Prowse Point Military Cemetery aan de Chemin du Mont de la Hutte. Te voet vervolg ik mijn weg richting het hart van het bos van Ploegsteert en laat me leiden door een tabletcomputer met hierop militaire luchtbeelden en loopgravenkaarten uit de periode ’14-’18. Met behulp van een geografisch informatiesysteem (GIS) worden die geprojecteerd op een hedendaagse topografische kaart. In combinatie met een GPS kan ik recht op mijn doel afgaan, namelijk: de laatste getuigen van de Eerste Wereldoorlog.

Ultimo Crater © Yannick Van Hollebeeke
Ultimo Crater © Yannick Van Hollebeeke

Momenteel is Plugstreet Wood het jachtterrein van een adellijke familie. Op een aantal locaties in het bos staan kooien waarin fazanten gekweekt worden. Deze dieren worden na verloop van tijd uitgezet, om na een ongelijke strijd met de jager op het bord te belanden. Het doet me denken aan het ongelijke gevecht tussen vlees en staal tijdens de Grooten Oorlog. Ik passeer Rifle House Cemetery, een kerkhof waar 228 Britse soldaten hun laatste rustplaats vonden. Net achter de begraafplaats ontwaar ik een eerste vergeten relict. Het gaat om een vierkant bunkertje van amper 2,5 bij 2,5 meter met een plat dak. Deze bunker diende als commandopost. De letters ‘NZE’ boven de toegang vertellen ons dat de genie van het Second Australian and New Zealand Army Corps (II ANZAC) verantwoordelijk was voor de bouw ervan. De betonnen schuilplaats is te zien op luchtfoto’s vanaf mei 1917. De Australische en Nieuw-Zeelandse troepen werden in deze periode naar het front in Komen-Waasten gebracht om er als speerpunt te dienen voor een grootschalig offensief op de Duitse stelling op de heuvelrug van Mesen.

‘Mount Everest’

Via een gracht, die uiteindelijk een verbindingsloopgraaf blijkt te zijn, komen we bij het versterkte steunpunt ‘Mount Everest’ terecht, dat bestaat uit twee imposante bunkers. Ze hebben een polygonaal grondplan, telkens twee schietgaten en aan de binnenkant, onder de schietgaten, uitsparingen in het beton om een deel van de affuit van een Vickers mitrailleur in kwijt te kunnen. De bunkers hadden aan de vijandzijde een muurdikte van ongeveer één meter, waardoor ze in principe voldoende bescherming konden bieden tegen alle kalibers veldgeschut.

De bunkers van het steunpunt ‘Mount Everest’ © Yannick Van Hollebeeke
De bunkers van het steunpunt ‘Mount Everest’ © Yannick Van Hollebeeke

Momenteel liggen deze bunkers, samen met nog enkele andere, langs een slijkerige weg dwars door het bos. Langs deze weg, wat verder naar het zuiden, ligt een ander uitzonderlijk stukje oorlogserfgoed. Bij de slag om de heuvelrug van Mesen werden voor de gewonden tal van medische posten of dressing stations gebouwd. In het bos van Ploegsteert is een met beton versterkte verbandpost bewaard. Het heeft een rechthoekig grondplan en is opgebouwd uit golfplaten met brede golven waarop beton werd gestort. Aan de buitenkant werden zandzakjes gebruikt als bekisting, waarvan het negatief van de jute op verschillende plaatsen nog in het beton te herkennen valt. De bunker heeft twee brede toegangen. Gewonde soldaten, die van het front geëvacueerd werden, werden via de ene zijde binnengebracht en konden, na de eerste zorgen te hebben ontvangen, via de andere zijde afgevoerd worden richting een veldhospitaal. Boven één van de twee toegangen staan de woorden ‘Blighty Hall’ gekrast, een eerder sarcastisch opschrift, eigen aan de nuchtere Britse soldaten. ‘Blighty’ staat letterlijk voor ‘het vaderland’ of ‘thuis’. Een ‘blighty wound’ is een wonde die aanleiding geeft tot repatriëring. Wie dus met een wonde in de dressing station terecht kwam, heeft het gevecht overleefd en maakte bovendien kans om terug naar huis te worden gestuurd. Het was iets waar menig soldaat, die de hel aan het westelijk front heeft ervaren, van droomde.

Creatief met veldversterking

Mijn volgende stop is een klein Brits bunkertje, vlakbij het voormalige front. Aan de deuropening staan de namen van twee soldaten gegrift. De bunker is volgens een terugkerend patroon opgebouwd. Eerst werd een constructie gemaakt met golfplaten en/of hout. Vervolgens werd de wapening aangebracht en het beton gestort. Aan de buitenkant werden zandzakjes of golfplaten gebruikt om de muren te bekisten. Zo dicht bij het front waren de werkomstandigheden niet eenvoudig. Men deed zijn uiterste best om in de gegeven situatie een veilige schuilplaats te bouwen. In één van de handboeken, die gedurende de Eerste Wereldoorlog werden opgesteld voor de bouw van veldversterkingen, staat te lezen dat “In the front line […] these structures must be simple but shell-proof. […] their construction can be simplified by the free use of corrugated iron and by laying concrete against layers of sandbags or earth.” Men had dus de vrije hand in de bouw van de stellingen, zolang ze maar standhielden.

Catacomben en dieptemijnen

Het is middag. Lunchpauze. Waar beter halt houden dan op de Mont de la Hutte, bij de Britten beter bekend als Hill 63. Alfred Breuvart, een 19de-eeuwse textielmagnaat uit Armentières, bouwde er zijn kasteel met de toepasselijke naam ‘La Hutte’. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het met de grond gelijk gemaakt op enkele muurresten na, die vandaag de dag nog steeds zichtbaar zijn. Ik zet mijn wandeling verder in het Bois de la Hutte. Dit bos ligt op de zuidelijke helling van Hill 63. Op enkele tientallen meter ten zuidwesten van de ruïne van het kasteel La Hutte zijn drie langwerpige depressies waar te nemen. Deze vormen de aanloop naar de drie toegangen tot de zogenaamde Catacombs, onderaardse galerijen die werden gegraven vanaf eind 1916 en afgewerkt in de lente van 1917. Het waren de leden van de 7th Field Company van de Australian Engineers die de Catacombs hebben opgeleverd, in bijzijn van enkele hoge heren, zoals generaal Plumer. De galerijen konden bijna 2000 mensen onderbrengen, hadden elektrische verlichting en boden plaats aan tal van voorzieningen, zoals een veldhospitaal. Enkele tientallen meters naar het westen, net naast de Rue du Petit Pont, deed een bunker vermoedelijk dienst als ‘kantoor’ waar de binnenkomende goederen werden geregistreerd of als onderdak voor een generator.

Chateau de la Hutte © Yannick Van Hollebeeke
Chateau de la Hutte © Yannick Van Hollebeeke

De laatste halte van de dag zijn drie vijvers ten noordoosten van het bos van Ploegsteert. De waterbekkens zijn imposant en de grootste is meer dan 65 meter in doorsnede. Deze op het eerste zicht vredige plassen zijn relicten van de dieptemijnen die op 7 juni 1917 door de Britten tot ontploffing werden gebracht bij een ondergrondse aanval op de Duitse stellingen. Onder de gehele heuvelrug van Mesen explodeerden toen in totaal negentien springmijnen, waarvan vier op grondgebied van de gemeente Komen-Waasten. Drie van de vier kraters zijn in het landschap nog bewaard en kregen de naam Ash Crater, Ultimo Crater en Factory Farm Crater. In het gehuchtje Le Gheer, wat meer naar het zuiden, liggen er echter nog drie niet ontplofte mijnen. Een vierde vloog in 1955 alsnog in de lucht na een blikseminslag in de buurt.

Verdwijnende gruwel

Verbindingsloopgraaf
Verbindingsloopgraaf naar ‘Mount Everest’ © Yannick Van Hollebeeke

De weg naar huis zet me aan het denken over de gruwel van de oorlog. Door de hoge stand van het grondwater konden vele ondergrondse relicten vandaag niet betreden worden. Dat illustreert andermaal de moeilijke leefomstandigheden van de Britse soldaten die destijds lager gelegen gebieden in het landschap bezetten. Het gevecht tegen het water was bij momenten even hard als de strijd met de vijand. Ik denk ook na over de toekomst van het oorlogserfgoed in Komen-Waasten en daarbuiten. De vernietigende kracht van de oorlog en de tand des tijds hebben al op heel wat relicten in het bos een impact gehad. Overal worden stukken beton aangetroffen en hun precieze herkomst of functie valt niet meer te achterhalen. Wat te doen met wat er nog van de oorlog rest? Het is een vraag die de lokale en regionale beleidsmakers moeten beantwoorden. Dat er werk aan de winkel is, laat geen twijfel. Bunkers, gelegen op akkerland, worden beschadigd bij het bewerken van het land of gaandeweg afgebroken. Ook de uitdijende urbanisatie eist zijn tol. In het bos zelf blijken betonnen structuren veilig te zijn. Aarden structuren daarentegen staan bloot aan de niet te onderschatten invloed van de natuur en dreigen te verdwijnen door het onderhoud van de bossen, waarbij men zware machines gebruikt om het gekapte hout voor transport te verzamelen.

In het bos van Ploegsteert – en bij uitbreiding in de hele gemeente – zijn er nog meer relicten bewaard dan deze die vandaag geregistreerd werden. Het zijn stuk voor stuk unieke exemplaren die een plaats verdienen in het hedendaagse landschap.

 Yannick Van Hollebeeke


Dit artikel komt uit Ex situ 5

ES5