‘Silva Romana’: dat lijkt wel Latijn, en dat is het ook. Het staat voor ‘het Romeinse bos’, een landschap waarbij we ons onmiddellijk iets kunnen voorstellen. Want we kennen onze klassieken en weten dat wanneer Asterix en Obelix hun dorp verlaten, ze via enig open platteland al gauw in een dicht woud belanden waar geheid een Romeinse patrouille hun pad kruist. Dan wordt het meppen en helmpjes verzamelen. De soldaten verliezen altijd en toch blijft het lachen. Maar laten we te midden dit geweld even stilstaan bij dat woud. Is dat dichte bos wel een wetenschappelijk verantwoord beeld? En op welke informatie hebben Uderzo en Goscinny zich daarvoor gebaseerd?

Het bos te boek

Het is eigenlijk simpel. Veel van wat niet-specialisten weten over de Galliërs of de Romeinen en hun bezetting van onze gewesten, komt uit onze oude geschiedenisboekjes. En die steunen zich op hun beurt traditioneel op de klassieke schrijvers. Op Julius Caesar bijvoorbeeld, die in zijn oorlogsverslag ‘De Bello Gallico’ beschrijft hoe hij van 58 tot 50 voor onze jaartelling de Oude Belgen te lijf gaat. Het boek moest voor een deel als propaganda dienen en tegelijk de schrijver ophemelen. Het was dus zaak de verovering als een moeizame kwestie te omschrijven, waarbij alleen volharding en zelfopoffering de uiteindelijke doorslag gaven. Het landschap moest daarbij helpen en werd dan ook omschreven als woest en moeilijk doordringbaar, onder meer door de grote partijen bos. Het woud diende als schuilplaats voor de vijand die er zich in een guerrillatactiek na korte aanvallen steeds weer in terugtrok. Zoals de FARC in de Colombiaanse jungle of Robin Hood en zijn bende in Sherwood Forest. In Rome kon men de plaatsbeschrijving moeilijk controleren en uiteindelijk is ook bij ons het beeld blijven hangen van een land dat bedekt was door een Donkere Bomen Bos.

Het vertrouwde verhaal gaat na de verovering verder en stelt dat de Romeinen ons land vanaf dan voor het eerst echt grondig in cultuur brachten. Weg met het milieuvriendelijke keutergeboer, op naar de industriële grootschaligheid! Dat betekende een kaalslag. Het bos werd gekapt, er verschenen grote landbouwbedrijven, een wegennet, half- en volstedelijke agglomeraties. Met als resultaat dat er in de Romeinse tijd steeds minder eiken, beuken of lindes overbleven. Op de duur waren er zo weinig dat je door de bomen het bos niet meer zag, om het met een quote van Neerlands Hoop te stellen. Als we Asterix volgen, was er echter hier en daar nog wel een toefje woud, groot genoeg om wat everzwijnen, een oude eik met maretak en een Romeinse patrouille te herbergen. Maar het grootste deel van het landschap was geheel ontbost.

Romeinse soldaten op tocht doorheen een geheel ontbost landschap (foto Kris Vandevorst, Agentschap Onroerend Erfgoed).
Romeinse soldaten op tocht doorheen een geheel ontbost landschap (foto Kris Vandevorst, Agentschap Onroerend Erfgoed).

De vraag is nu of dit klassieke verhaal wel opgaat. Hoe bebost was het land echt, toen Julius hier binnenviel? En wat bleef daar na verloop van tijd van over? Nog belangrijker is de vraag hoe we die problemen van interpretatie kunnen aanpakken. Nieuwe teksten zijn natuurlijk niet meer te vinden; alle hoop is dus gesteld op de archeologie. En niet zozeer op de klassieke benadering die sporen en culturele vondsten onder de loep neemt, maar wel op de natuurwetenschappelijke aanpak, in de studie van dieren- en plantenresten.

 Arm (zandig) Vlaanderen

De recente opgravingen van de Gentse Universiteit, op de plek waar ten noorden van Gent ter uitbreiding van de Gentse haven het Kluizendok werd aangelegd, leverden een goed voorbeeld van de interpretaties die uit archeologische plantenresten kunnen gehaald worden. Uit de waterputten van een inheemse nederzetting uit de Romeinse tijd werden stuifmeelkorrels van planten onderzocht. Stuifmeelkorrels zijn cellen die het mannelijk erfelijk materiaal bevatten en die door planten worden verspreid, op zoek naar de stamper van een bloem, die – niet toevallig – het vrouwelijk deel van het erfelijk materiaal draagt. Komt die ontmoeting tot stand, dan volgt er na een kort maar passioneel moment een versmelting van beide genetische pakketjes waarna een zaad ontstaat dat dan weer tot een nieuwe plant kan uitgroeien. Een heleboel stuifmeelkorrels kennen dat geluk echter niet en verdwijnen voor altijd, onbevredigd, in de koude bodem, in een trieste plas of een waterput. Door sedimentmonsters uit de vulling van een waterput in een laboratorium te behandelen en onder een microscoop de minuscule stuifmeelkorrels te onderzoeken, kan duidelijk worden welke planten er in de buurt van de put voorkwamen. Door het aantal stuifmeelkorrels van alle plantensoorten te tellen, kunnen we aan de hand van de aantallen van bomen en struiken inschatten hoeveel bos er stond. En voor Kluizendok is dat verbazend veel. Er moet nog veel boomvegetatie hebben voorgekomen op de locatie waar men in de Romeinse tijd een nederzetting stichtte. Dat er in de periode daarvóór schijnbaar nauwelijks bewoning voorkwam, is ook een teken aan de wand. En na de Romeinse tijd is het tot ver in de middeleeuwen wachten op nieuwe archeologische vondsten. Kluizendok moet altijd al een plek geweest zijn met een arme zandbodem, onaantrekkelijk voor permanente bewoning, begroeid met nog veel originele wildernis. Is dit het ondoordringbare bos van Julius Caesar?

Eikels uit Kluizendok (foto Hans Denis, Agentschap Onroerend Erfgoed).
Eikels uit Kluizendok (foto Hans Denis, Agentschap Onroerend Erfgoed).

Misschien deels, maar niet helemaal. Het Kluizendokse Woud, dat zich trouwens ook manifesteert in de archeologische collecties van zaden en van houtskool, geeft aan dat er regionale verschillen zijn in de Romeinse exploitatie van het land. In landbouwgewijs arme streken was er van oudsher nog meer bos, werd dat in de Romeinse tijd niet echt grondig gerooid en groeide alles in de vroege middeleeuwen snel weer vol. Voor de vruchtbare leemstreek moet dat verhaal echter heel anders klinken maar helaas bewaart stuifmeel niet zo goed in dat type bodem. Het dichte netwerk van landbouwbedrijven (de villa’s) op de lemige gronden geeft wel aan dat grootschalige landbouw er veel verder ontwikkeld was dan in de zandstreek.

Langs beken en rivieren

Nog meer nuance komt uit Velzeke, een Romeinse vicus of handelsplaats op leembodem. In een waterput, opgegraven door het Provinciaal Archeologisch Museum, stak een vulling die niet alleen de laatste bewoningsfase van de nederzetting illustreert, maar ook de opgave en de periode van leegstand tot aan een hernieuwde menselijke bewoning ergens in de vroege middeleeuwen. Van de kevers die ooit in de vulling terechtkwamen, resten nog delen van het uitwendig skelet en daar kunnen we een (kever)naam op plakken. Zo zien we alleen soorten uit een open landschap in de laatste bewoningsfase maar al gauw ook weer boskevers na de opgave van de vicus en tijdens de leegstand. Het snelle verschijnen van de bossoorten wijst er op dat er zelfs in de Romeinse hoogdagen in een vruchtbaar landbouwlandschap altijd nog een deftig bos in de buurt was, van waaruit de hernieuwde kolonisatie van het landschap kon gebeuren, eens de bezetters het voor bekeken hielden. Wellicht moeten we dat Romeinse bos in de beekvalleien zoeken, op de nattere en steilere gronden die minder voor akkerbouw geschikt waren. De ontbossing te Velzeke greep dus niet op alle delen van het landschap in en moet dus per kleiner landschapselement ingeschat worden. Is dit het bos van Asterix, of is het daar te klein voor?

Een boskever aan de wandel (foto Konjev Desender).
Een boskever aan de wandel (foto Konjev Desender).

Op de locatie ‘Zennegat’ (bij Mechelen) is door Onroerend Erfgoed, in opdracht van Waterwegen en Zeekanaal NV, opgegraven in het samenvloeiingsgebied van de Zenne en de Dijle. Een reeks van stalen uit het sediment van de riviervallei werd onderzocht op stuifmeelkorrels. De stalenreeks beslaat een hele lange tijdsperiode, van de verre prehistorie tot na de Romeinse tijd. Merkwaardig genoeg is er geen terugval van het aantal stuifmeelkorrels van bossoorten tijdens de Romeinse periode. Wellicht is dit opnieuw een aanwijzing dat de ontbossing nergens totaal was en dat minder bruikbare gronden onder bos bleven. Opgravingen in de Wijmeersen langsheen de Schelde te Schellebelle en Wichelen, opnieuw door Onroerend Erfgoed in opdracht van Waterwegen en Zeekanaal NV, toonden dan weer een vrijwel geheel ontbost Romeins landschap. De stuifmeelkorrels van bossoorten zijn er voor de Romeinse tijd op één hand te tellen. Op bepaalde plaatsen is in het rivierengebied dus toch sterk ingegrepen, in tegenstelling tot wat in het Zennegat werd vastgesteld. Om eerlijk te zijn is het Romeinse gebruik van de natte valleien echt nog niet goed gekend. Maar misschien zijn die natte bossen, gedomineerd door elzen, wel waar Julius het over had?

Kristof Haneca meet de groeiringen op een stuk hout van de Oudenburgse waterput (foto Kris Vandevorst, Agentschap Onroerend Erfgoed).
Kristof Haneca meet de groeiringen op een stuk hout van de Oudenburgse waterput (foto Kris Vandevorst, Agentschap Onroerend Erfgoed).

De Oudenburgse waterput

Richting kust komen we het Romeinse bos op het spoor via de opgravingen van Onroerend Erfgoed te Oudenburg. In dit legerkamp werd een waterput onderzocht, opgebouwd uit dikke eiken planken. De schacht was volgestort met 4de-eeuws afval waartussen heel wat dierenbot stak. Het gaat om de resten van geslachte huisdieren maar ook van jachtbuit. Verschillende soorten verwijzen naar een vrij ongerepte wildernis, met zonder twijfel ook dicht bos. De meest spectaculaire voorbeelden zijn bruine beer, everzwijn, oerrund, bever en edelhert. Of anders gezegd: Ursus arctos, Sus scrofa, Bos primigenius, Castor fiber en Cervus elaphus. Met hun wetenschappelijke, Latijnse naam passen ze nog beter in een Romeins bos. Van hoe dicht of hoe ver die dieren naar het legerkamp werden gebracht, is niet te achterhalen maar ergens in de omgeving van het laat-Romeinse kamp moet er een respectabel woud hebben gestaan. Een bruine beer leeft immers niet in een prieeltje. Of dit bos er gedurende de ganse Romeinse periode altijd al was geweest, of integendeel ontstond als resultaat van herbebossing aan het eind van de Romeinse bezetting, is niet geweten.

Schedel van een bruine beer uit laat-Romeins Oudenburg (foto Hans Denis, Agentschap Onroerend Erfgoed).
Schedel van een bruine beer uit laat-Romeins Oudenburg (foto Hans Denis, Agentschap Onroerend Erfgoed).

De kieren tussen de planken van de Oudenburgse waterput waren volgestopt met mos. Die mospakketten werden onderzocht en tussen de tientallen soorten bleken er heel wat afkomstig uit – u raadt het nooit – een vochtig, dicht en donker bos. Als bewijs bovenop het bewijs was er bij de stuifmeelkorrels die aan de mossen kleefden een overwicht aan boom- en struiksoorten. In Oudenburg komt het Donkere Bomen Bos dus wel heel dichtbij. Maar in de archeologie mag men tot de allerlaatste vondstcategorie is uitgeplozen, nooit tevreden zijn met een verhaal.

Want er is ook nog het hout van de waterput. Het is nogal wiedes dat dit ook bij het onderzoek wordt betrokken. Hout haalt men immers uit bomen en die staan (soms) in een bos. De planken van de put komen van dikke eiken, maar die kunnen natuurlijk geïsoleerd hebben gestaan, aan de rand van een akker bijvoorbeeld. Daarmee heb je nog geen bos. Interessanter is dat het groeipatroon van die eiken, af te lezen aan de opeenvolging van bredere en smallere groeiringen, toont dat de bomen die de planken leverden in hun eerste levensjaren enorm snel gegroeid zijn (dikke ringen) om na verloop van een tiental jaren een markante daling in groeisnelheid te tonen (dunne ringen). Dergelijk patroon is typisch voor bomen die een zogenaamd ‘hakhoutbeheer’ ondergaan. Dat bestaat er in om de vijftien of twintig jaar de volwassen bomen in een bos om te zagen maar een stomp met de wortels (een ‘stoof’ in het bosjargon) te laten staan. Hieruit ontspringt dan een bundel van nieuwe stammetjes die snel groeien omdat ze kunnen profiteren van het volwassen, uitgestrekte wortelgestel. Door de snelle groei beginnen ze echter na jaren voor elkaar het zonlicht af te schermen waardoor de groei mindert. Ook de groei van dichtbij staande stoven speelt daarbij een rol. Al gauw volgt er weer een kap en kan de cyclus herbeginnen. Het moet immers vooruitgaan want een versnelde houtproductie is van dit beheer het doel. Bomen in een niet beheerd bos kennen doorgaans een, meer geleidelijke groei en tonen als plank een gans ander, veel regelmatiger patroon van groeiringen. Het bos bij Oudenburg werd dus beheerd, met een type van ingreep waarvan we eerst dachten dat die typisch was voor de middeleeuwse periode maar die nu duidelijk reeds uit vroegere tijden stamt. Of dit beheerde bos het leefgebied van de bruine beer was, is moeilijk in te schatten. Misschien verdraagt zo’n roofdier wel wat overlast, als de houtvesters maar eens om de vijftien jaar langskomen?

Het resultaat van onze boswandeling is in elk geval heel verscheiden. In de Romeinse tijd had je blijkbaar bos dat er nog was, bos dat snel terugkwam, wild bos, bos onder beheer en bos dat weg was. Dergelijke conclusie is echter geen bos bloemen waard. Er is duidelijk meer onderzoek nodig. We moeten via pollenbakken, zeefstalen, gezaagde planken en stammen, kevers en dierenbotten opnieuw het Romeinse bos in. En dan maar hopen dat we geen patrouille tegenkomen. Of juist wel?

Anton Ervynck
Met dank aan Jan Bastiaens, Koen Deforce, Kristof Haneca en Annelies Storme (Agentschap Onroerend Erfgoed)



Dit artikel komt uit Ex situ 1

ES1_cover_web